Aankomst
Ook voor het grootste deel van de Harianese gemeenschap in Nederland geldt dat ze is voortgekomen uit de groep mensen die in het eerste halfjaar van 1951 naar Nederland is overgebracht. Het ging daarbij om mannen die bij het voormalige Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) of de Koninklijke Marine hadden gediend, hun vrouwen en hun kinderen. In totaal kwamen ongeveer 12.500 personen naar Nederland. Onder hen bevonden zich ongeveer 110 Harianese gezinnen.Zij vormden de basis van een Molukse gemeenschap die nu naar schatting tussen de 45.000 en 50.000 personen telt, voor een deel nog in zo’n 60 Molukse wijken woont maar voor een belangrijk deel buiten deze wijken gehuisvest is.
Waarom?
Waarom kwamen de Molukkers eigenlijk naar Nederland? Om dat te begrijpen moeten we kijken naar de wijze waarop Indonesië uiteindelijk na 4 jaar van strijd en diplomatie op 29 december 1949 officieel onafhankelijk werd en de gebeurtenissen die daarop volgden.
De Republik Indonesia Serikat, de verenigde staten van Indonesië, bestond uit verschillende deelstaten. De Molukken maakten deel uit van de deelstaat Oost-Indonesië. Dat het nieuwe Indonesië geen behoefte had aan een Nederlands leger zal duidelijk zijn. Het KNIL zou dan ook worden ontbonden. De Nederlandse militairen van het KNIL gingen terug naar Nederland, maar de Molukse militairen kregen net als andere niet-Europese militairen de keus tussen overgang naar het nieuwe Indonesische leger of vertrek uit de militaire dienst.
Dat laatste was voor de Molukse beroepsmilitairen niet echt aantrekkelijk, maar over de eerste mogelijkheid wilden ze nog overleggen en nadenken. Hoe zat het met hun rang en hun pensioen? Konden ze in Oost-Indonesië, vlak bij de Molukken, worden gelegerd? Allemaal vragen waarover nog werd gesproken toen op 25 april 1950 op Ambon de Republik Maluku Selatan, de RMS, werd uitgeroepen door een groep politici die zich probeerde te verzetten tegen de ondergang van de deelstaat Oost-Indonesië. Als gevolg van de RMS wilde de meerderheid van de Molukse soldaten niet meer over naar het Indonesische leger, maar wilde men naar Ambon. Dat werd niet toegestaan door de Indonesische regering.
Na veel heen en weer getrek, werden alle Molukse militairen van het KNIL in 5 kampen in Java geconcentreerd: Semarang, Surabaja, Bandung/Tjimahi, Malang en Djakarta. Nadat de Nederlandse staat door een rechter in Den Haag was verboden om de Molukse militairen tegen hun wil in Indonesië te ontslaan, besloot de regering de Molukkers tot een keuze te dwingen: tijdelijk naar Nederland of uit de militaire dienst in Indonesië. Uiteindelijk vertrokken 12.500 personen (bijna 4.000 mannen en hun vrouwen en kinderen) in het eerste halfjaar van 1951 vanuit Indonesië naar Nederland. De verwachting was dat het verblijf in Nederland maar een paar maanden zou duren….
Ontslag
Na een reis van een maand wachtte de militairen in Nederland direct een onaangename verrassing: ontslag uit militaire dienst. Vanaf de haven (de meeste schepen kwamen aan in Rotterdam, een enkel schip in Amsterdam) werden de Molukkers met bussen via Amersfoort verspreid over meer dan 90 locaties in Nederland die gereed waren gemaakt om als ‘Ambonezenwoonoord’ te dienen. Een kleine groep Molukkers kwam daar overigens niet terecht. Zo’n 100 Molukse marinemensen werden niet ontslagen en werden met hun gezinnen naar marinekampen overgebracht. Als gevolg van politieke problemen tussen Nederland en Indonesië en de wens van het grootste deel van de Molukkers om alleen naar RMS-gebied terug te keren, kwam er van een spoedig vertrek van Molukkers uit Nederland weinig terecht. Slechts een kleine minderheid keerde in de loop van de jaren vijftig en zestig terug.
Uiteindelijk zouden de Molukkers minstens 10 jaar in woonoorden blijven wonen. Deze lagen meestal op het platteland en buiten de bebouwde kom. Er waren grote en kleine kampen. In de twee grootste kampen, Lunnetten bij Vught en Schattenberg bij Westerbork, woonden elk zo’n 3.000 personen.
Molukkers en Nederland
Contact tussen Molukkers en de Nederlandse samenleving was er niet zo veel. Aan het einde van de jaren vijftig besloot de Nederlandse overheid dat de Molukkers uit de woonoorden moesten verhuizen naar woonwijken die dichter bij de Nederlandse omgeving lagen. Zo werd gehoopt dat de Molukkers beter hun weg in de Nederlandse samenleving zouden kunnen vinden. Die verhuizing ging niet altijd zonder slag of stoot omdat sommigen vonden dat vertrek uit de woonoorden zou betekenen dat men zich neerlegde bij een permanent verblijf in Nederland.
Anno 2004 woont al meer dan de helft van alle Molukkers buiten een Molukse wijk. Dat kan ook niet anders want de meeste wijken zijn gebouwd in de jaren zestig en de Molukse bevolkingsgroep is sindsdien sterk gegroeid. Al vanaf het eerste begin van hun verblijf in Nederland, hebben mensen geprobeerd familieleden en dorpsgenoten in de verschillende woonoorden op te zoeken. De eerste dorpsverenigingen, kumpulan, werden al in de jaren vijftig opgericht, meestal om elkaar op hoogte- en dieptepunten te ondersteunen (duka en suka). Tot op vandaag speelt de verbondenheid van dorpsgenoten in Nederland een rol in het leven, ook al bestaat de Molukse gemeenschap nu al uit vier generaties.
